Kees, een gezonde
Hollandse jongen had zich de gewoonte eigengemaakt om na een nachtje stappen en
versieren zichzelf goed vol te vreten om de meestal vruchteloze avonden te
compenseren.
De meest ideale
plek om dat te doen was het plaatselijke frietkot om de hoek. Maar niet
vanavond, vanavond was Kees in een vreemde stad. Hij keek op zijn horloge, de
grote wijzer had 12 uur middernacht al drie maal gepasseerd. Vind dan in een
vreemde stad maar eens een frietkot!
Kees volgde een
groepje leeftijdgenoten met hongerige blikken in hun ogen een donker steegje
in. Ja! Daar aan de rechterkant hing een piepklein verlicht uithangbord. “Met
een beetje geluk” dacht Kees.
Inderdaad toen hij
het bord naderde tot op enkele meters las hij “De Vlaamse Reus altijd open”.
Het groepje wurmde zich door de nauwe deuropening op de voet gevolgd door Kees.
Hij was de laatste van het vijftal maar paste nauwelijks in de zaak, het had
eigenlijk meer weg van een portaal met een ingebouwde frietpan. Vandaar dat
Kees plaats moest nemen in de deuropening. Zijn schoenzolen plakten aan de
drempel vast: de vloer was geplaveid met ingedroogde plakkaten gemorste
mayonaise en andere goddelijke sauzen. Daar waar de vloer ophield en de muur
begon tierde een schimmelplantage welig en zou een goede oogst dit jaar zeker
niet als een verrassing komen. Kees zijn oog viel op een bordje aan de muur
waar de tekst kwaliteit is ons keurmerk het ergste deed vermoeden.
Na een uur
was Kees aan de beurt. Een man van ± 60 jaar met een bolrond buikje dat
weerbarstig onder zijn te heet gewassen navy trui uitstak, gebaarde hij Kees om
te bestellen. ”Graag een patatje oorlog riep Kees. “Hebbe we nie” schreeuwde de
man “alleen speciaal anders niks nie”. “Nou in dat geval doet mij dan maar een
patatje mayo of moet ik daar speciaal naar vragen?” Grapte Kees. De man zei
niets en greep met zijn grote, dikke vette vingers, getooid met vuile randen
onder de nagels een papieren puntzak. In een mum van tijd stond daar een
walmend zakje patatspeciaal met slappe steeltjes die hun kopjes weemoedig over
de rand lieten hangen, te wachten in een roestig houdertje dat was
vastgespijkerd op de balie. “Alleen mayo graag” zei Kees. “Wat jij wil” gromde
de man op zijn beurt. Hij greep het zakje opnieuw vast en schepte met zijn
blote handen datgene wat een patatje speciaal speciaal maakt weg, slingerde de
zojuist buitgemaakte inhoud in de afvalemmer en veegde de restanten af aan zijn
trui. Een stukje ui baande zich een weg door de vette saus die nu aan de trui
kleefde en zakte langzaam af naar de buiknavel om zich genoeglijk in het door
haren omgeven holletje te nestelen. ”Dat is dan zes gulden” zei hij
“u ziet het meneer, service is ons op
het lijf geschreven”
De eeuwige zomer van “99
Acht uur in de morgen, meneer Keulen werd hoestend wakker, met tranen in de ogen reikte hij naar het nachtkastje. Waar was nou die verdomde bril, zonder bril zag Keulen geen steek, toen er iets van zijn nachtkastje viel wat verdacht als zijn bril klonk gaf Keulen het op. Getergd liet hij zijn hoofd weer in het kussen zakken, in al die 99,9 jaren van zijn leven was opstaan nog nooit zo moeizaam geweest. Dan maar weer naar het belknopje zoeken dat op strategische wijze was geplaatst ruim vijftig centimeter boven het bed, zodat je als hoogbejaarde telkens je zelf redzaamheid moest bewijzen. “ Nog maar twee centimeter meneer Keulen, zet ‘m op”, leek de hele wereld hem toe te schreeuwen toen hij bezig was om het laatste stukje naar het belknopje af te leggen. Met de krachten die hem nog resten drukte Keulen het knopje in de behuizing. Het lampje boven de deur ging branden, uitgeblust liet hij; Keulen Alfonds, zich neerploffen op zijn bed.
In gedachten ging hij de gang van het belletje na. Door de lange gangen van het tehuis zou het belletje zich een weg banen naar de meldkamer. Waarin waarschijnlijk een mooie jonge vrouw in het wit zich zou bevinden, die het noodklokje zou opmerken en zich in vol ornaat naar zijn kamer zou spoeden. In afwachting van dat moois liet Keulen zijn geest dwalen in de tijd van vervlogen dagen. Dagen die hij zich maar al te goed herinnerde. De zondagen dat hij ter kerke ging om te bidden tijdens goede en slechte dagen, de mooie momenten van trouwerijen van zijn kroost. Hij voelde de emoties opkomen en al snel vloeide zijn tranen rijkelijk. Het was het al meer dan twintig jaar geleden dat zijn lief het leven liet. Toen had hij in diezelfde kerk een knieval voor het altaar gemaakt. Vol verdriet had hij zich voorgenomen om vanaf die tijd met volle teugen uit de beker des levens te drinken. Het vervulde hem met vreugde dat dit inderdaad gelukt was.
Keulen voelde zich wat lichter worden, als een ballonvaarder die noodgedwongen wat ballast overboord gooide. Zijn gedachten gingen terug naar de jaren van noeste arbeid, oorlog en vrede, feesten en begrafenissen, hoogte en dieptepunten. Er was geen houden meer aan, Keulen wilde terug, terug in de tijd, zijn honger naar verledentijd was zo groot dat hij het zelf niet kon geloven. Had hij dit allemaal meegemaakt in zijn leven? Met een gevoel van ongeloof vloog Keulen door de ruimte van zijn geest, telkens wat ballast over boord gooiende. Net als de ballonvaarder kon hij zijn wil niet opleggen aan de grillige stromingen in zijn gedachten. Hij zag zichzelf weer spelend in de tuin, klimmend in zijn lievelingsboom waar hij later de naam van zijn lief in zou krassen. De heerlijke geuren van de appelbloesem riepen mooie herinneringen bij hem op. De mooie bloemen in de tuin van zijn ouderlijk huis waren al een beetje aan het verdrogen, op de puntige palen van het tuinhek stak hier en daar een geel gekleurd blaadje, afkomstig van de bomen die aan hun eerste herfstdagen waren begonnen. Keulen genoot met volle teugen, hij liep door de tuin als een man met al het geluk van de wereld in zich.
Al dolend door de tuin belandde hij bij de achterdeur van het huis, voorzichtig opende hij de deur en stapte met knikkende knieën binnen. De keuken was zoals hij het zich herinnerde, keurig opgeruimd, niets stond er scheef of stond waar het niet hoorde. Vanuit de keuken kwam je in de kamer. Het was een klein huisje maar nu leek het immens groot. Keulen liep de kamer door, richting de twee kleine slaapkamers, uit een van hen kwam een onrustig gestommel. Voorzichtig opende hij de deur, in de kamer lag zijn moeder in bed met om haar heen twee mensen die hij kende als zijn vader en de dorpsdokter “nog heel even volhouden” riep de dokter tegen zijn moeder “nog heel eventjes ik zie het hoofdje al”. Het duurde maar enkele seconde dat Keulen van verbazing met zijn ogen had geknipperd maar juist genoeg om de geboorte van een kind mogelijk te maken. Er klonk een levendig geschrei.
De dokter vroeg aan zijn vader of hoe het kind ging heten. Alfonds zei zijn vader Keulen kreeg tranen in zijn ogen, het was zijn eigen geboorte op die mooie zomerdag.
Opeens voelde Keulen een koude gure wind door het huis waaien hij werd meegetrokken door de wervelende kracht van deze onplezierige ervaring. Door zijn gesloten oogleden priemde een fel licht, met moeite opende zijn ogen zich, Met veel kabaal en bewegingen zag Keulen de mensen uit de wachtkamer hun best doen om te redden wat er nog te redden viel. Laat maar riep Keulen hun nog toe, laat maar want ik wil terug, terug naar waar ik zojuist vandaan kom. Zachtjes vervaagde zijn zintuigen en samen met de laatste woorden die over Keulen zijn lippen kwamen aanvaarde hij de terugreis naar die ene zomer,
Al dolend door de tuin belandde hij bij de achterdeur van het huis, voorzichtig opende hij de deur en stapte met knikkende knieën binnen. De keuken was zoals hij het zich herinnerde, keurig opgeruimd, niets stond er scheef of stond waar het niet hoorde. Vanuit de keuken kwam je in de kamer. Het was een klein huisje maar nu leek het immens groot. Keulen liep de kamer door, richting de twee kleine slaapkamers, uit een van hen kwam een onrustig gestommel. Voorzichtig opende hij de deur, in de kamer lag zijn moeder in bed met om haar heen twee mensen die hij kende als zijn vader en de dorpsdokter “nog heel even volhouden” riep de dokter tegen zijn moeder “nog heel eventjes ik zie het hoofdje al”. Het duurde maar enkele seconde dat Keulen van verbazing met zijn ogen had geknipperd maar juist genoeg om de geboorte van een kind mogelijk te maken. Er klonk een levendig geschrei.
De dokter vroeg aan zijn vader of hoe het kind ging heten. Alfonds zei zijn vader Keulen kreeg tranen in zijn ogen, het was zijn eigen geboorte op die mooie zomerdag.
Opeens voelde Keulen een koude gure wind door het huis waaien hij werd meegetrokken door de wervelende kracht van deze onplezierige ervaring. Door zijn gesloten oogleden priemde een fel licht, met moeite opende zijn ogen zich, Met veel kabaal en bewegingen zag Keulen de mensen uit de wachtkamer hun best doen om te redden wat er nog te redden viel. Laat maar riep Keulen hun nog toe, laat maar want ik wil terug, terug naar waar ik zojuist vandaan kom. Zachtjes vervaagde zijn zintuigen en samen met de laatste woorden die over Keulen zijn lippen kwamen aanvaarde hij de terugreis naar die ene zomer,
zijn zomer van 1899.
De Harmonie
De twee grootste cactussen, die in het
midden van de vensterbank de felle zon stonden te trotseren, werden met geweld
uit elkaar geschoven. De kronkelige glasgordijnen waren hetzelfde lot beschoren
en deinden nog minutenlang na van opwinding. Het piepende geluid van
scharnieren vermengde zich met het geroezemoes van de straat toen de ramen
werden opengesmeten. Gretig stak Hubert zijn hoofd uit het raam, keek gespannen
naar links, dan weer naar rechts en vervolgens meerdere malen op zijn horloge.
" Hoe laat ging het ook al weer van start, schat?" Uit de keuken
klonk een verfoeilijk gescheld, gevolgd door het geluid van een stel
stuiterende pannen, die de keukenvloer er van langs gaven.
" Dat heb je verdomme vandaag al tien
keer gevraagd; kijk dan in het feestprogramma".
Huberts vriendin was niet een van de
bedaardste, ze wond er geen doekjes om. De toonzetting van haar opmerking was
voor Hubert aanleiding om zich koest te houden en naarstig op zoek te gaan naar
het verlossende feestprogramma. Zijn ogen schoten haastig langs de vele
aanvangstijden die in het opgedoken krantje stonden.
Koortsachtig zocht hij naar het evenement
dat hij zo'n warm hart toe droeg. Aha daar stond het, om 16.00u dan zou het
allemaal beginnen. Dat was nog 2 minuten, waar bleven ze nou? Snel nam hij weer
plaats op de stoel die voor het raam stond. Op zijn knieën gezeten wachtte
Hubert ongeduldig de komst van het gebeuren af. Zijn voeten wiebelden
ongeduldig op en neer, de stoel kraakte mee met het ritme van zijn swingende
voeten. Op de hoek van de straat stonden enkele auto's te wachten voor het rode
stoplicht, de bestuurders lieten de motoren ronken. Hubert ergerde zich aan
alles wat stilstond op straat, zo dadelijk komen ze en dan is de straat
geblokkeerd, dan zouden ze wellicht kunnen besluiten om een andere straat in te
slaan en niet langs zijn huis te marcheren.
Hubert
moest er niet aan denken dat dat zou gaan gebeuren. Hij had nou juist
zo'n behoefte aan dat beeld van marcherende mensen, iedereen netjes in de rij,
strak in het gelid, klaar voor hun taak, één team, één missie. Dat was wat
Hubert zo miste in zijn leven; harmonie!
Zo vaak had hij verlangd naar harmonie met zijn omgeving, met vriendin,
vrienden en collega's. Er ging geen dag voorbij of Hubert had wel een conflict
met iemand uit zijn omgeving. Niet dat hij zich overal mee bemoeide, maar hij
was eigenlijk nogal to the point of eigenlijk erg eerlijk. Hubert liet zich
gaan als daar reden voor was en daar was niks mis mee vond hij zelf.
Laatst nog in de trein zat hij tegenover
een dame, ze had licht geblondeerd haar met bijpassende blauwe ogen. Haar volle
lippen accentueerden haar mondhoeken die
diep in haar gezicht verscholen, de mond scheeftrokken. Huberts ogen gleden
naar beneden langs de rij zwarte knoopjes die op haar jasje prijkten. Het was
een oud model jasje, de knoopjes bekleed met hetzelfde zwarte stof als waaruit
het jasje door de kleermaker zo vakkundig gesneden was, staken met hun bolle
buikjes hier en daar door het stof heen.
Ook de onderkant van het jasje was
enigszins gehavend en verraadde daardoor het bouwjaar van de haute
couture. Haar korte benen staken
parmantig onder een korte rok uit, de bijpassende zwarte lakschoenen gaven het
geheel een solide uiterlijk. Hubert staarde vol bewondering naar haar. De trein
begon langzaam te rollen en wiegde van links naar rechts. Het ritmische geluid
van voorbij zoevende bomen liet Hubert weten dat de trein begon te versnellen.
Hij keek vol
bewondering naar de dame en snoof haar adembenemende parfum op. Zijn handen
gleden voorzichtig langs zijn benen, over zijn buik naar zijn borstkas. Hubert
kreeg het benauwd, met zijn vingers peuterde hij zijn stropdas los en keek
schichtig naar buiten. De snelheid waarmee de trein door het landschap sneed
wond Hubert vreselijk op, door zijn versnelde ademhaling besloeg het raampje.
Het lijf van de dame wiegde met de trein mee! Haar knieën in tegenovergestelde
richting, dan weer links, dan weer rechts. De rij knoopjes van haar jasje
bewoog zich als een slang door de jungle op zoek naar een prooi.
Hubert slikte zijn opwinding weg. De
losgepeuterde stropdas bracht geen verlichting. Hij snakte naar adem. Angstig
ging hij staan en greep het bagagerek dat zich boven haar hoofd bevond vast. De
tas met tijgerprint die daar in elkaar gedrukt de reis beleefde schoof lichtjes
opzij. Huberts hoofd bonkte zoals alleen maar Huberts hoofd kon bonken, zijn
ogen vingen de druk van het gebonk op en het moet geen prettig gezicht zijn
geweest om in Huberts ogen te kijken. Want toen de dame in kwestie Hubert
opmerkte schrok ze lichtjes en beet zachtjes met haar boventanden op haar
onderlip. Huberts opwinding begon hem parten te spelen. Uit de gapende poriën
op zijn voorhoofd gutste het zweet, de alsmaar zwaarder wordende druppels
voegden zich samen tot een onophoudelijke stroom zweet die zich op de rand van
zijn bovenlip verzamelde en daar wachtte op het gewichtige punt waarbij de
zwaartekracht ten volle kon worden benut.
Een volwaardige druppel, zwaartekracht
waardig, maakte zich los van Huberts bovenlip en stortte zich naar beneden om
vervolgens te landen op de onderlip van de dame die nog steeds bevangen door
Huberts uitpuilende ogen met open mond zat te kijken. De druppel zoute zweet
bracht haar weer tot haar positieven en ze likte met haar tong de druppel van
haar onderlip en keek Hubert daarbij strak aan. Zoveel hints waren zelfs voor
Hubert niet meer te missen dacht hij. In zijn ooghoeken bracht de tas met
tijgerprint hem in vervoering, zijn ogen begonnen te rollen en in zijn
gezichtsveld verscheen om beurten de tijgerprint en de lippen van de dame.
Huberts hormonen sloegen op hol, als een
tijger in de jungle besprong hij zijn prooi en brulde vol overtuiging: "Oh
ohhh Jane neem mij, voor zowaar ik Tarzan heet, laat mij alle hoeken van je
jungle zien, maak mij je man".
Een harde klap in zijn gezicht bracht
Hubert weer tot het werkelijke leven.
Met zijn gezicht in haar boezem en enkele
knoopjes in zijn mond keek hij haar geschrokken aan. Zij sprak lijzig: "Ik
wil best met je op jungletour maar ik hou wel van wat harmonie, dus als het kan
mijn beste Tarzan, zing dan een toontje lager".
Ze ving behendig de knoopjes, die uit
Huberts open mond vielen op en streelde met haar lange wijsvinger langs Huberts
wang.
" Ik zie je wel weer bij de volgende
voorstelling" fluisterde ze zachtjes in Huberts oor. Sinds dat voorval was
Hubert niet meer de oude. De woorden harmonie en toontje lager lieten hem niet
meer los. Hij had tot afgrijzen van zijn
vriendin hun slaapkamermuur vol geklad met die woorden, las boeken over
harmonische levensvormen, nam trompetles bij de plaatselijke fanfare en of dat
alles nog niet genoeg was nam hij elke trein die op het bewuste traject reed,
in de hoop om "zijn" Jane nog eenmaal te ontmoeten. Maar helaas tot
nu toe had hij haar niet meer gezien. Vandaag had hij het idiote idee opgevat
dat ze harmonie misschien wel letterlijk had bedoeld.
Aha, daar kwamen de eerste marcherende
muziekmakers de straathoek om, de zon schitterde in de glimmende instrumenten,
het deed pijn aan Huberts ogen. Maar dan zag hij de zwarte pakjes en
bijpassende broeken en rokken, de bolle knoopjes met hetzelfde stof bekleed als
de strakke zwarte pakken. Opgewonden wipte Hubert op zijn stoel op en neer,
zijn ogen gingen de rijen af op zoek naar een glimp van zijn Jane.
Een enkele blonde haar en een paar blauwe
ogen zouden al genoeg zijn geweest om Hubert door dolle heen te brengen. En dat
gebeurde ook, Hubert stoof als een wildeman het huis uit, drong door de linies
van de harmonie en schudde elk lid met
Jane's kenmerken zo door elkaar dat horen
en zien hun verging. Hubert ging als een wildeman tekeer. Nog een enkele
muziekmaakster bleef haar onvolprezen missie uitvoeren, maar uiteindelijk stond
geen enkele vrouw van koninklijke harmonie
Dwingelo haar mannetje. Vol afgrijzen om Huberts ongewenste intimiteiten
werden toeters en bellen ter verdediging gebruikt en kreeg Hubert er duchtig
van langs. De in allerijl aangerukte ambulancemedewerkers grepen Hubert vast en
maanden hem tot kalmte. Maar het mocht niet baten, Hubert was er van overtuigd
dat hij zijn Jane gevonden had en terwijl hij in een overmoedige passionele bui de saxofoon
van Marieke Boonstra, de dochter van de plaatselijke koster, aflikte, zette een
van de ambulancemedewerkers een spuit in Huberts linkerbil. Verdoofd werd de
held, die woorden en daden zo vaak liet samenvloeien, afgevoerd. Zijn vriendin,
leunend in de deuropening met de braadpan in de hand riep de menigte toe
"zo nodig had ik hem de genadeklap gegeven".
Haar woorden drongen in Huberts hoofd maar
langzaam door, uiteindelijk moest hij ook toegeven.
Te veel noten op je zang leidt niet tot harmonie
Met mes en vork
Greta was moe, moe van de hele dag het
huishouden doen, de kinderen waren weer echte schatjes geweest vandaag. De
televisie stond onder de vetkrijtstrepen en in het toilet had haar zoontje
geprobeerd Picasso te evenaren met een schilderswerkje van verse poep op een
achtergrond van witte hygiënische tegels. Tot overmaat van ramp had de buurman
ook nog geklaagd over het feit dat de bloesemboom in de tuin, bloemblaadjes
liet valen op zijn auto. Dat geneuzel over die idiote futiliteiten, daar had
Greta toch zo ontzettend genoeg van. Voor je het weet gaat je leven voorbij en
blaas je je laatste adem uit zonder dat iemand het merkt. Omdat je zo
vanzelfsprekend bent geworden dat je pas gemist wordt als je het jaarlijkse
abonnementsgeld voor de playboy van manlief vergeet te betalen en hij juist dat
ene nummer met Pammela Anderson moet missen.
Er moest hoognodig wat veranderen, die
gedachten werd alleen nog maar sterker toen haar zoontje het probleem met
buurmans auto ging oplossen met te pleeborstel in zijn hand. Nog net kon Greta
hem er van weerhouden om de auto te ontdoen van boombloesem. Het ventje wou
door een ferme zwaai met de pleeborstel, buurmans ongenoegen uit de wereld helpen.
Vast besloten om zijn moeder te helpen schopte hij de buurman tegen zijn
enkels, die zoals altijd er weer als de kippen bij was en Greta nog niet eens
de kans gaf om zich te verontschuldigen, voor het gedrag van haar ventje. Nee
dit was niet meer recht te trekken vond de buurman, het was altijd hetzelfde
met die kinderen van haar. Opvoeden kon ze beter aan anderen overlaten vond
buurman.
Er knapte iets in Greta, het werd haar
allemaal te veel, alsof twee van die duivelse kinderen opvoeden zo
gemakkelijk was had ze nog tegen buurman
gezegd. Natuurlijk had de buurman daar weer een messcherpe opmerking tegenover
geplaatst " ja wat wil je, je hebt ze ook niet laten dopen".
Dat was allemaal vanmiddag gebeurd. Nu had Greta
besloten om voor eens en altijd het roer om te gooien. Het was in haar
opgekomen om een eind aan haar leven te maken maar wat zou er van haar kinderen
terechtkomen. Ze zouden naar alle waarschijnlijkheid vroeg of laat in de hel
terechtkomen om handlanger van de duivel te worden en met de mensheid afrekenen
omdat die zelfde mensheid hun moeder de dood in had gedreven. Grote kans dat de
rampen elkaar in hoog tempo zouden opvolgen tot de gehele wereldbevolking zich
zou wensen dat ze nooit een moeder hadden gehad. Nee dat kon ze toch niet maken.
Maar zo kon het ook niet verder, het lot moest maar beslissen. Versuft zat
Greta op de bank tv te kijken, haar gedachten dwaalde af naar vroegere tijden
toen alles nog koek en ei was en ze nog zielsveel van haar man hield, de buren
nog echte mensen waren en toen ze nog in de spiegel kon kijken zonder zich af
te vragen of ze de dag, die ging komen, wel zou overleven.
De tv stemmen kondigde alweer het zoveelste onzinnige
programma aan. Wat nu weer dacht Greta we hebben alles al gehad, van grote
broer tot het gevoel van, het was wel genoeg geweest. Maar nee, met gepaste
trots werd een nieuw programma aangekondigd een stel mensen gingen aan elkaar
geketend, geboeid door het leven. Dat deed toch iedereen al dacht Greta daar
was niks nieuw aan,
zij zat ook vast met haar leven, niks bijzonders dus.
Buiten was het broeierig warm, er danste een paar muggen om haar hoofd, met
luid zoemende stemmetjes leken ze haar om te willen praten om haar lichaam
beschikbaar te stellen aan de wet der natuur. Welja dacht Greta ik laat me
gewoon vol overgave leeg zuigen en doe dan net of ik me niet als een dweil behandeld
voel. Haar hand reikte langzaam naar de salontafel, daar op het Perzische
tafelkleedje lag een uit de kluiten gewassen vliegenmepper. Greta's magere
vingers omsloten langzaam de handgreep van het moordwapen, tilde het
voorzichtig op, strekte haar arm en liet het vliegensvlug door de lucht suizen.
Het troepje muggen dat zich ondertussen voor een nieuwe aanval had
gehergroepeerd kreeg er flink van langs. De muggen hielden het voor gezien en
vlogen door de openstaande achterdeur de broeierige nacht in. Greta achtervolgde
de parasieten als een bezetene, ze moest een voorbeeld stellen eens en voor
altijd.
Met rasse schrede bewoog Greta zich door de
achtertuin en vervolgde de zoemende bloedzuigers met een vastberadenheid die
een bumperklever niet zou misstaan. Plotsklaps stond ze stil in het midden van
de tuin, een onbeschrijfelijk gevoel van verdriet maakte zich van haar meester.
Het was alsof ze buiten zichzelf trad, niet meer wist wat ze voelde, wie ze was
en waarom ze de dingen deed zoals ze ze deed. Greta voelde de rillingen over
haar rug lopen. Zoals ze zo vaak gevoeld had als ze weer eens in paniek raakte.
Omdat haar kop vol zat met allerlei onzinnige gedachten waarover ze maar bleef
piekeren, net zolang tot haar gedachten een aaneen gesloten circuit vormden en haar
totaal op hol deed slaan. Het gevoel van verdriet sloeg al snel om in
uitzinnige woede.
Terwijl de heldere sterrenhemel plaats
maakte voor de eerste onweerswolken en de nacht een dreigend karakter gaven,
trad Greta buiten zichzelf. Wat dacht de wereld wel om haar zo te treiteren,
alsmaar die druk opvoeren. Nooit deed je iets goed. Ze schopte tegen de
wasmolen die ze eerder die dag nog beladen had met fris gewassen wasgoed. En
niet te vergeten de broeken van de kinderen die zoals gewoonlijk weer vol
kauwgom hadden gezeten omdat haar jongste vergeten was om het pakje kauwgom
"gezond voor je tanden" uit zijn broekzak te halen. Toen de wasmolen
niet onder de indruk leek te zijn van Greta's genadeschop duwde Greta hem omver
en sloeg met de vliegemepper net zolang op de arme molen in, dat het hulpmiddel
der moderne huisvrouw het begaf. Met een luid "pats" knapten de
waslijntjes en suisden de lucht in. Hoewel het sterk te betwijfelen viel of het
ging om een doelgerichte wraakactie van de wasmolen. Greta werd voluit in haar
smoelwerk geraakt door de los springende lijnen. Met de pijn van de zojuist
verkregen striemen op haar gezicht, maakte Greta het karwei af en slingerde de
droogmolen met een krachtige zwaai over buurmans schutting. Met een overtuigende
koers verdween de molen uit het zicht, kort daarna gevolgd door luid gerinkel
van glas. Het geluid deed Greta denken aan het glaswerk in de keukenkast, die
mooie, op kristal lijkende glazen die haar waren opgedrongen door schoonmoeder
die zoals altijd met overtuigende argumenten verkondigde dat het net echt leek.
Greta voelde de woede van die momenten weer bij haar op komen, ze stormde de
keuken in, trok de kast open en veegde met èèn zwaai het nepkristal de kast
uit. Het glas klaterde op de tegelvloer.
Dat luchtte op vond Greta. Eindelijk
verlost van dat verdomde glaswerk dat haar vaak ongemakkelijke momenten had
opgeleverd als schoonmoeder weer eens quasi per ongeluk het glaswerk
controleerde op niet verwijderde vetvlekken
tijdens het afwassen. Greta voelde de
adrenaline door haar aderen gieren. Met uitpuilende ogen stormde ze door de
keuken en rukte letterlijk de deurtjes van de kastjes op zoek naar nog meer
verfoeilijk servies dat haar vervulde met afschuw. Met een ferme zwaai vloog de
rode aardbeientheepot van tante Theodora tegen de muur en spatte in duizenden
stukjes uiteen. De glazen schaal met de inscriptie "ter gelegenheid van
twaalf en een half jaar huwelijk onderging hetzelfde lot, daarna volgde nog de
rood glanzende bloemenvaas van ome Cor, de glazen gebaksbordjes van haar zus en
het zout en peper stelletje in de vorm van Maria en Jozef, gekregen van de
buurman toen ze vol goede moed een intrekfeestje had gegeven voor de buurt.
Buiten begon het te rommelen, de eerste
bliksemschichten kondigden zich in de verte al aan. Het felle licht weerkaatste
in de vele scherven op de keukenvloer. Greta was altijd bang geweest van onweer
en bliksem. Het deed haar denken aan vroeger toen ze een klein meisje was, haar
moeder stoof dan als een dolle stier door het huis als de eerste roffels onweer
zich aankondigden. Alle ramen en deuren moesten hermetisch afgesloten zijn, de
gordijnen dicht. Met z'n allen in de kelder met de deur op slot. Als het
gloeipeertje met helder glas op volle sterkte brandde, schalde de eerste
weesgegroetjes ter ere van de heilige maagd Maria en sint Jozef door de
kelderruimte.
Er waren heel wat zweetpeentjes gelaten in
die kelder. Het duurde soms dagen tot moeder het weer aandurfde om de boze
buitenwereld weer te begroeten. Greta begon zich een beetje paniekerig te
voelen, bang dat de bliksem haar huis zou kunnen treffen. Tegelijkertijd borrelde
de woede weer in haar op. Het was genoeg geweest, nooit zou ze zich weer door
een donderslag of bliksemschicht de wet laten voorschrijven, dat was voorgoed
verleden tijd. Op de ruiten tikte zachtjes kleine regendruppeltjes die de weg
vrij maakte voor de onweersbui. Met een luide knal boorde een bliksemschicht
zich in Greta's tuin. Zonder zich te bedenken trok Greta de keukenla open greep
een mes en vork en stormde door het dolle heen naar buiten de belaagde tuin in,
het terrasje overstekend kwam ze bij de vijver, liep er een rondje omheen en
stopte bij de nepkikker met spuitmondje.
De hemel kondigde met luid gerommel een
nieuwe aanval aan. Greta was er klaar voor, ze zou die verdomde schichten wel
eens een lesje leren. Als het moest zou ze ze persoonlijk in stukken snijden.
Wederom voerde de waanzin bij Greta de boventoon, niets kon haar nog tot rede
brengen. Met het mes in de linker en de vork in de rechterhand geklemd daagde
Greta de elementen uit om de strijd met haar aan te gaan. Terwijl de donderslag
bij dreigende hemel zich oplaadde om met al zijn haat en nijd moeder aarde te
treffen, schreeuwde Greta uit volle borst, "kom maar op lelijke blaaskaak
ik lust je rauw". Uit de donkere dreigende hemel verscheen een niet
aflatende bliksemschicht die nerveus zijn weg zocht naar beneden, zoekende naar
oriëntatiepunten die hij zo hard nodig had om doel te treffen. Het is nog
altijd niet duidelijk of Greta haar kansen ten opzichte van de elementen
verkeerd had ingeschat. Maar de bliksem en het duo mes en vork sloten in die
nacht een alliantie. Oftewel het duo nam op gepaste wijze wraak voor het
heengaan van het serviesgoed en de elementen bewezen maar weer eens dat er niet
met hen te sollen viel. De bliksemschicht trof de vork vol op zijn tanden die
op hun beurt alles door gaven aan het puntje van het mes.
De aanslag op Greta was een voltreffer. Wat
er in de laatste minuten door Greta is heen gegaan zal niemand ooit weten.
Het enige wat buurman de volgende morgen
aantrof in Greta’s tuin, toen hij verhaal wilde halen voor de in zijn woonkamer
geparkeerde wasmolen, was een hoopje stof en as. De kleurmenging van de
substantie verraadde enigszins Greta’s aanwezigheid. Buurman herkende in de
lichtgroene kleuren de resten van haar haren "dat krijg je als je alleen
maar vegetarische bruine bonen eet in plaats van een goed stuk vlees", terwijl
de overwegende zwarte kleuren zeker van haar duivelse ziel moesten komen. Een
ding stond vast, de buurman zou haar missen. De familie stond naast Greta's
stoffelijk overschot te bekvechtten over het feit of Greta de voorkeur zou
hebben geven aan een begrafenis of crematie. Een zacht briesje trok de klanken
van hun woorden uit elkaar en vervolgde zijn weg naar Greta's hoopje, dat lag
te wachten op haar bestemming. De elementen gaven de strijd kennelijk nog niet
op, want het briesje zwelde aan tot een ferme windvlaag en voerde het hoopje
met enkele ferme vlagen mee over grasvelden, bossen en akkers. Greta daalde
waardig en met sier neer op moeder aarde, om deel uit te maken van de voedselketen.
De familie stomverbaasd achterlatend. Dus denk de volgende keer wanneer u weer
mes en vork ter hande neemt om uw aardappel er van langs te geven en u
vervolgens te voeden met de vruchten die moeder aarde geschonken heeft.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten