Verhalen

De Vlaamse reus.




Kees, een gezonde Hollandse jongen had zich de gewoonte eigengemaakt om na een nachtje stappen en versieren zichzelf goed vol te vreten om de meestal vruchteloze avonden te compenseren.

De meest ideale plek om dat te doen was het plaatselijke frietkot om de hoek. Maar niet vanavond, vanavond was Kees in een vreemde stad. Hij keek op zijn horloge, de grote wijzer had 12 uur middernacht al drie maal gepasseerd. Vind dan in een vreemde stad maar eens een frietkot!


Kees volgde een groepje leeftijdgenoten met hongerige blikken in hun ogen een donker steegje in. Ja! Daar aan de rechterkant hing een piepklein verlicht uithangbord. “Met een beetje geluk” dacht Kees.

Inderdaad toen hij het bord naderde tot op enkele meters las hij “De Vlaamse Reus altijd open”. Het groepje wurmde zich door de nauwe deuropening op de voet gevolgd door Kees. Hij was de laatste van het vijftal maar paste nauwelijks in de zaak, het had eigenlijk meer weg van een portaal met een ingebouwde frietpan. Vandaar dat Kees plaats moest nemen in de deuropening. Zijn schoenzolen plakten aan de drempel vast: de vloer was geplaveid met ingedroogde plakkaten gemorste mayonaise en andere goddelijke sauzen. Daar waar de vloer ophield en de muur begon tierde een schimmelplantage welig en zou een goede oogst dit jaar zeker niet als een verrassing komen. Kees zijn oog viel op een bordje aan de muur waar de tekst kwaliteit is ons keurmerk het ergste deed vermoeden. 

Na een uur was Kees aan de beurt. Een man van ± 60 jaar met een bolrond buikje dat weerbarstig onder zijn te heet gewassen navy trui uitstak, gebaarde hij Kees om te bestellen. ”Graag een patatje oorlog riep Kees. “Hebbe we nie” schreeuwde de man “alleen speciaal anders niks nie”. “Nou in dat geval doet mij dan maar een patatje mayo of moet ik daar speciaal naar vragen?” Grapte Kees. De man zei niets en greep met zijn grote, dikke vette vingers, getooid met vuile randen onder de nagels een papieren puntzak. In een mum van tijd stond daar een walmend zakje patatspeciaal met slappe steeltjes die hun kopjes weemoedig over de rand lieten hangen, te wachten in een roestig houdertje dat was vastgespijkerd op de balie. “Alleen mayo graag” zei Kees. “Wat jij wil” gromde de man op zijn beurt. Hij greep het zakje opnieuw vast en schepte met zijn blote handen datgene wat een patatje speciaal speciaal maakt weg, slingerde de zojuist buitgemaakte inhoud in de afvalemmer en veegde de restanten af aan zijn trui. Een stukje ui baande zich een weg door de vette saus die nu aan de trui kleefde en zakte langzaam af naar de buiknavel om zich genoeglijk in het door haren omgeven holletje te nestelen. ”Dat is dan zes gulden” zei hij



u ziet het meneer, service is ons op het lijf geschreven”






De eeuwige zomer van “99

Acht uur in de morgen, meneer Keulen werd hoestend wakker, met tranen in de ogen reikte hij naar het nachtkastje. Waar was nou die verdomde bril, zonder bril zag Keulen geen steek, toen er iets van zijn nachtkastje viel wat verdacht als zijn bril klonk gaf Keulen het op. Getergd liet hij zijn hoofd weer in het kussen zakken, in al die 99,9 jaren van zijn leven was opstaan nog nooit zo moeizaam geweest. Dan maar weer naar het belknopje zoeken dat op strategische wijze was geplaatst ruim vijftig centimeter boven het bed, zodat je als hoogbejaarde telkens je zelf redzaamheid moest bewijzen. “ Nog maar twee centimeter meneer Keulen, zet ‘m op”, leek de hele wereld hem toe te schreeuwen toen hij bezig was om het laatste stukje naar het belknopje af te leggen. Met de krachten die hem nog resten drukte Keulen het knopje in de behuizing. Het lampje boven de deur ging branden, uitgeblust liet hij; Keulen Alfonds, zich neerploffen op zijn bed.
In gedachten ging hij de gang van het belletje na. Door de lange gangen van het tehuis zou het belletje zich een weg banen naar de meldkamer. Waarin waarschijnlijk een mooie jonge vrouw in het wit zich zou bevinden, die het noodklokje zou opmerken en zich in vol ornaat naar zijn kamer zou spoeden. In afwachting van dat moois liet Keulen zijn geest dwalen in de tijd van vervlogen dagen. Dagen die hij zich maar al te goed herinnerde. De zondagen dat hij ter kerke ging om te bidden tijdens goede en slechte dagen, de mooie momenten van trouwerijen van zijn kroost. Hij voelde de emoties opkomen en al snel vloeide zijn tranen rijkelijk. Het was het al meer dan twintig jaar geleden dat zijn lief het leven liet. Toen had hij in diezelfde kerk een knieval voor het altaar gemaakt. Vol verdriet had hij zich voorgenomen om vanaf die tijd met volle teugen uit de beker des levens te drinken. Het vervulde hem met vreugde dat dit inderdaad gelukt was.
Keulen voelde zich wat lichter worden, als een ballonvaarder die noodgedwongen wat ballast overboord gooide. Zijn gedachten gingen terug naar de jaren van noeste arbeid, oorlog en vrede, feesten en begrafenissen, hoogte en dieptepunten. Er was geen houden meer aan, Keulen wilde terug, terug in de tijd, zijn honger naar verledentijd was zo groot dat hij het zelf niet kon geloven. Had hij dit allemaal meegemaakt in zijn leven? Met een gevoel van ongeloof vloog Keulen door de ruimte van zijn geest, telkens wat ballast over boord gooiende. Net als de ballonvaarder kon hij zijn wil niet opleggen aan de grillige stromingen in zijn gedachten. Hij zag zichzelf weer spelend in de tuin, klimmend in zijn lievelingsboom waar hij later de naam van zijn lief in zou krassen. De heerlijke geuren van de appelbloesem riepen mooie herinneringen bij hem op. De mooie bloemen in de tuin van zijn ouderlijk huis waren al een beetje aan het verdrogen, op de puntige palen van het tuinhek stak hier en daar een geel gekleurd blaadje, afkomstig van de bomen die aan hun eerste herfstdagen waren begonnen. Keulen genoot met volle teugen, hij liep door de tuin als een man met al het geluk van de wereld in zich.
Al dolend door de tuin belandde hij bij de achterdeur van het huis, voorzichtig opende hij de deur en stapte met knikkende knieën binnen. De keuken was zoals hij het zich herinnerde, keurig opgeruimd, niets stond er scheef of stond waar het niet hoorde. Vanuit de keuken kwam je in de kamer. Het was een klein huisje maar nu leek het immens groot. Keulen liep de kamer door, richting de twee kleine slaapkamers, uit een van hen kwam een onrustig gestommel. Voorzichtig opende hij de deur, in de kamer lag zijn moeder in bed met om haar heen twee mensen die hij kende als zijn vader en de dorpsdokter “nog heel even volhouden” riep de dokter tegen zijn moeder “nog heel eventjes ik zie het hoofdje al”. Het duurde maar enkele seconde dat Keulen van verbazing met zijn ogen had geknipperd maar juist genoeg om de geboorte van een kind mogelijk te maken. Er klonk een levendig geschrei.
De dokter vroeg aan zijn vader of hoe het kind ging heten. Alfonds zei zijn vader Keulen kreeg tranen in zijn ogen, het was zijn eigen geboorte op die mooie zomerdag.
Opeens voelde Keulen een koude gure wind door het huis waaien hij werd meegetrokken door de wervelende kracht van deze onplezierige ervaring. Door zijn gesloten oogleden priemde een fel licht, met moeite opende zijn ogen zich, Met veel kabaal en bewegingen zag Keulen de mensen uit de wachtkamer hun best doen om te redden wat er nog te redden viel. Laat maar riep Keulen hun nog toe, laat maar want ik wil terug, terug naar waar ik zojuist vandaan kom. Zachtjes vervaagde zijn zintuigen en samen met de laatste woorden die over Keulen zijn lippen kwamen aanvaarde hij de terugreis naar die ene zomer,

zijn zomer van 1899.





De Harmonie


De twee grootste cactussen, die in het midden van de vensterbank de felle zon stonden te trotseren, werden met geweld uit elkaar geschoven. De kronkelige glasgordijnen waren hetzelfde lot beschoren en deinden nog minutenlang na van opwinding. Het piepende geluid van scharnieren vermengde zich met het geroezemoes van de straat toen de ramen werden opengesmeten. Gretig stak Hubert zijn hoofd uit het raam, keek gespannen naar links, dan weer naar rechts en vervolgens meerdere malen op zijn horloge. " Hoe laat ging het ook al weer van start, schat?" Uit de keuken klonk een verfoeilijk gescheld, gevolgd door het geluid van een stel stuiterende pannen, die de keukenvloer er van langs gaven.
" Dat heb je verdomme vandaag al tien keer gevraagd; kijk dan in het feestprogramma".
Huberts vriendin was niet een van de bedaardste, ze wond er geen doekjes om. De toonzetting van haar opmerking was voor Hubert aanleiding om zich koest te houden en naarstig op zoek te gaan naar het verlossende feestprogramma. Zijn ogen schoten haastig langs de vele aanvangstijden die in het opgedoken krantje stonden.
Koortsachtig zocht hij naar het evenement dat hij zo'n warm hart toe droeg. Aha daar stond het, om 16.00u dan zou het allemaal beginnen. Dat was nog 2 minuten, waar bleven ze nou? Snel nam hij weer plaats op de stoel die voor het raam stond. Op zijn knieën gezeten wachtte Hubert ongeduldig de komst van het gebeuren af. Zijn voeten wiebelden ongeduldig op en neer, de stoel kraakte mee met het ritme van zijn swingende voeten. Op de hoek van de straat stonden enkele auto's te wachten voor het rode stoplicht, de bestuurders lieten de motoren ronken. Hubert ergerde zich aan alles wat stilstond op straat, zo dadelijk komen ze en dan is de straat geblokkeerd, dan zouden ze wellicht kunnen besluiten om een andere straat in te slaan en niet langs zijn huis te marcheren.
Hubert  moest er niet aan denken dat dat zou gaan gebeuren. Hij had nou juist zo'n behoefte aan dat beeld van marcherende mensen, iedereen netjes in de rij, strak in het gelid, klaar voor hun taak, één team, één missie. Dat was wat Hubert zo miste in zijn leven; harmonie!  Zo vaak had hij verlangd naar harmonie met zijn omgeving, met vriendin, vrienden en collega's. Er ging geen dag voorbij of Hubert had wel een conflict met iemand uit zijn omgeving. Niet dat hij zich overal mee bemoeide, maar hij was eigenlijk nogal to the point of eigenlijk erg eerlijk. Hubert liet zich gaan als daar reden voor was en daar was niks mis mee vond hij zelf.
Laatst nog in de trein zat hij tegenover een dame, ze had licht geblondeerd haar met bijpassende blauwe ogen. Haar volle lippen  accentueerden haar mondhoeken die diep in haar gezicht verscholen, de mond scheeftrokken. Huberts ogen gleden naar beneden langs de rij zwarte knoopjes die op haar jasje prijkten. Het was een oud model jasje, de knoopjes bekleed met hetzelfde zwarte stof als waaruit het jasje door de kleermaker zo vakkundig gesneden was, staken met hun bolle buikjes hier en daar door het stof heen.




Ook de onderkant van het jasje was enigszins gehavend en verraadde daardoor het bouwjaar van de haute couture.  Haar korte benen staken parmantig onder een korte rok uit, de bijpassende zwarte lakschoenen gaven het geheel een solide uiterlijk. Hubert staarde vol bewondering naar haar. De trein begon langzaam te rollen en wiegde van links naar rechts. Het ritmische geluid van voorbij zoevende bomen liet Hubert weten dat de trein begon te versnellen. 

Hij keek vol bewondering naar de dame en snoof haar adembenemende parfum op. Zijn handen gleden voorzichtig langs zijn benen, over zijn buik naar zijn borstkas. Hubert kreeg het benauwd, met zijn vingers peuterde hij zijn stropdas los en keek schichtig naar buiten. De snelheid waarmee de trein door het landschap sneed wond Hubert vreselijk op, door zijn versnelde ademhaling besloeg het raampje. Het lijf van de dame wiegde met de trein mee! Haar knieën in tegenovergestelde richting, dan weer links, dan weer rechts. De rij knoopjes van haar jasje bewoog zich als een slang door de jungle op zoek naar een prooi.
Hubert slikte zijn opwinding weg. De losgepeuterde stropdas bracht geen verlichting. Hij snakte naar adem. Angstig ging hij staan en greep het bagagerek dat zich boven haar hoofd bevond vast. De tas met tijgerprint die daar in elkaar gedrukt de reis beleefde schoof lichtjes opzij. Huberts hoofd bonkte zoals alleen maar Huberts hoofd kon bonken, zijn ogen vingen de druk van het gebonk op en het moet geen prettig gezicht zijn geweest om in Huberts ogen te kijken. Want toen de dame in kwestie Hubert opmerkte schrok ze lichtjes en beet zachtjes met haar boventanden op haar onderlip. Huberts opwinding begon hem parten te spelen. Uit de gapende poriën op zijn voorhoofd gutste het zweet, de alsmaar zwaarder wordende druppels voegden zich samen tot een onophoudelijke stroom zweet die zich op de rand van zijn bovenlip verzamelde en daar wachtte op het gewichtige punt waarbij de zwaartekracht ten volle kon worden benut.
Een volwaardige druppel, zwaartekracht waardig, maakte zich los van Huberts bovenlip en stortte zich naar beneden om vervolgens te landen op de onderlip van de dame die nog steeds bevangen door Huberts uitpuilende ogen met open mond zat te kijken. De druppel zoute zweet bracht haar weer tot haar positieven en ze likte met haar tong de druppel van haar onderlip en keek Hubert daarbij strak aan. Zoveel hints waren zelfs voor Hubert niet meer te missen dacht hij. In zijn ooghoeken bracht de tas met tijgerprint hem in vervoering, zijn ogen begonnen te rollen en in zijn gezichtsveld verscheen om beurten de tijgerprint en de lippen van de dame.
Huberts hormonen sloegen op hol, als een tijger in de jungle besprong hij zijn prooi en brulde vol overtuiging: "Oh ohhh Jane neem mij, voor zowaar ik Tarzan heet, laat mij alle hoeken van je jungle zien, maak mij je man".
Een harde klap in zijn gezicht bracht Hubert weer tot het werkelijke leven.
Met zijn gezicht in haar boezem en enkele knoopjes in zijn mond keek hij haar geschrokken aan. Zij sprak lijzig: "Ik wil best met je op jungletour maar ik hou wel van wat harmonie, dus als het kan mijn beste Tarzan, zing dan een toontje lager".

Ze ving behendig de knoopjes, die uit Huberts open mond vielen op en streelde met haar lange wijsvinger langs Huberts wang.
" Ik zie je wel weer bij de volgende voorstelling" fluisterde ze zachtjes in Huberts oor. Sinds dat voorval was Hubert niet meer de oude. De woorden harmonie en toontje lager lieten hem niet meer los.  Hij had tot afgrijzen van zijn vriendin hun slaapkamermuur vol geklad met die woorden, las boeken over harmonische levensvormen, nam trompetles bij de plaatselijke fanfare en of dat alles nog niet genoeg was nam hij elke trein die op het bewuste traject reed, in de hoop om "zijn" Jane nog eenmaal te ontmoeten. Maar helaas tot nu toe had hij haar niet meer gezien. Vandaag had hij het idiote idee opgevat dat ze harmonie misschien wel letterlijk had bedoeld.
Aha, daar kwamen de eerste marcherende muziekmakers de straathoek om, de zon schitterde in de glimmende instrumenten, het deed pijn aan Huberts ogen. Maar dan zag hij de zwarte pakjes en bijpassende broeken en rokken, de bolle knoopjes met hetzelfde stof bekleed als de strakke zwarte pakken. Opgewonden wipte Hubert op zijn stoel op en neer, zijn ogen gingen de rijen af op zoek naar een glimp van zijn Jane.
Een enkele blonde haar en een paar blauwe ogen zouden al genoeg zijn geweest om Hubert door dolle heen te brengen. En dat gebeurde ook, Hubert stoof als een wildeman het huis uit, drong door de linies van de harmonie en schudde elk lid met
Jane's kenmerken zo door elkaar dat horen en zien hun verging. Hubert ging als een wildeman tekeer. Nog een enkele muziekmaakster bleef haar onvolprezen missie uitvoeren, maar uiteindelijk stond geen enkele vrouw van koninklijke harmonie  Dwingelo haar mannetje. Vol afgrijzen om Huberts ongewenste intimiteiten werden toeters en bellen ter verdediging gebruikt en kreeg Hubert er duchtig van langs. De in allerijl aangerukte ambulancemedewerkers grepen Hubert vast en maanden hem tot kalmte. Maar het mocht niet baten, Hubert was er van overtuigd dat hij zijn Jane gevonden had en terwijl hij in  een overmoedige passionele bui de saxofoon van Marieke Boonstra, de dochter van de plaatselijke koster, aflikte, zette een van de ambulancemedewerkers een spuit in Huberts linkerbil. Verdoofd werd de held, die woorden en daden zo vaak liet samenvloeien, afgevoerd. Zijn vriendin, leunend in de deuropening met de braadpan in de hand riep de menigte toe "zo nodig had ik hem de genadeklap gegeven".
Haar woorden drongen in Huberts hoofd maar langzaam door, uiteindelijk moest hij ook toegeven.

Te veel noten op je zang leidt niet tot harmonie




Met mes en vork


Greta was moe, moe van de hele dag het huishouden doen, de kinderen waren weer echte schatjes geweest vandaag. De televisie stond onder de vetkrijtstrepen en in het toilet had haar zoontje geprobeerd Picasso te evenaren met een schilderswerkje van verse poep op een achtergrond van witte hygiënische tegels. Tot overmaat van ramp had de buurman ook nog geklaagd over het feit dat de bloesemboom in de tuin, bloemblaadjes liet valen op zijn auto. Dat geneuzel over die idiote futiliteiten, daar had Greta toch zo ontzettend genoeg van. Voor je het weet gaat je leven voorbij en blaas je je laatste adem uit zonder dat iemand het merkt. Omdat je zo vanzelfsprekend bent geworden dat je pas gemist wordt als je het jaarlijkse abonnementsgeld voor de playboy van manlief vergeet te betalen en hij juist dat ene nummer met Pammela Anderson moet missen.

Er moest hoognodig wat veranderen, die gedachten werd alleen nog maar sterker toen haar zoontje het probleem met buurmans auto ging oplossen met te pleeborstel in zijn hand. Nog net kon Greta hem er van weerhouden om de auto te ontdoen van boombloesem. Het ventje wou door een ferme zwaai met de pleeborstel, buurmans ongenoegen uit de wereld helpen. Vast besloten om zijn moeder te helpen schopte hij de buurman tegen zijn enkels, die zoals altijd er weer als de kippen bij was en Greta nog niet eens de kans gaf om zich te verontschuldigen, voor het gedrag van haar ventje. Nee dit was niet meer recht te trekken vond de buurman, het was altijd hetzelfde met die kinderen van haar. Opvoeden kon ze beter aan anderen overlaten vond buurman.
Er knapte iets in Greta, het werd haar allemaal te veel, alsof twee van die duivelse kinderen opvoeden zo
gemakkelijk was had ze nog tegen buurman gezegd. Natuurlijk had de buurman daar weer een messcherpe opmerking tegenover geplaatst " ja wat wil je, je hebt ze ook niet laten dopen".

Dat was allemaal vanmiddag gebeurd. Nu had Greta besloten om voor eens en altijd het roer om te gooien. Het was in haar opgekomen om een eind aan haar leven te maken maar wat zou er van haar kinderen terechtkomen. Ze zouden naar alle waarschijnlijkheid vroeg of laat in de hel terechtkomen om handlanger van de duivel te worden en met de mensheid afrekenen omdat die zelfde mensheid hun moeder de dood in had gedreven. Grote kans dat de rampen elkaar in hoog tempo zouden opvolgen tot de gehele wereldbevolking zich zou wensen dat ze nooit een moeder hadden gehad. Nee dat kon ze toch niet maken. Maar zo kon het ook niet verder, het lot moest maar beslissen. Versuft zat Greta op de bank tv te kijken, haar gedachten dwaalde af naar vroegere tijden toen alles nog koek en ei was en ze nog zielsveel van haar man hield, de buren nog echte mensen waren en toen ze nog in de spiegel kon kijken zonder zich af te vragen of ze de dag, die ging komen, wel zou overleven.

De tv stemmen kondigde alweer het zoveelste onzinnige programma aan. Wat nu weer dacht Greta we hebben alles al gehad, van grote broer tot het gevoel van, het was wel genoeg geweest. Maar nee, met gepaste trots werd een nieuw programma aangekondigd een stel mensen gingen aan elkaar geketend, geboeid door het leven. Dat deed toch iedereen al dacht Greta daar was niks nieuw aan,

zij zat ook vast met haar leven, niks bijzonders dus. Buiten was het broeierig warm, er danste een paar muggen om haar hoofd, met luid zoemende stemmetjes leken ze haar om te willen praten om haar lichaam beschikbaar te stellen aan de wet der natuur. Welja dacht Greta ik laat me gewoon vol overgave leeg zuigen en doe dan net of ik me niet als een dweil behandeld voel. Haar hand reikte langzaam naar de salontafel, daar op het Perzische tafelkleedje lag een uit de kluiten gewassen vliegenmepper. Greta's magere vingers omsloten langzaam de handgreep van het moordwapen, tilde het voorzichtig op, strekte haar arm en liet het vliegensvlug door de lucht suizen. Het troepje muggen dat zich ondertussen voor een nieuwe aanval had gehergroepeerd kreeg er flink van langs. De muggen hielden het voor gezien en vlogen door de openstaande achterdeur de broeierige nacht in. Greta achtervolgde de parasieten als een bezetene, ze moest een voorbeeld stellen eens en voor altijd.

Met rasse schrede bewoog Greta zich door de achtertuin en vervolgde de zoemende bloedzuigers met een vastberadenheid die een bumperklever niet zou misstaan. Plotsklaps stond ze stil in het midden van de tuin, een onbeschrijfelijk gevoel van verdriet maakte zich van haar meester. Het was alsof ze buiten zichzelf trad, niet meer wist wat ze voelde, wie ze was en waarom ze de dingen deed zoals ze ze deed. Greta voelde de rillingen over haar rug lopen. Zoals ze zo vaak gevoeld had als ze weer eens in paniek raakte. Omdat haar kop vol zat met allerlei onzinnige gedachten waarover ze maar bleef piekeren, net zolang tot haar gedachten een aaneen gesloten circuit vormden en haar totaal op hol deed slaan. Het gevoel van verdriet sloeg al snel om in uitzinnige woede.

Terwijl de heldere sterrenhemel plaats maakte voor de eerste onweerswolken en de nacht een dreigend karakter gaven, trad Greta buiten zichzelf. Wat dacht de wereld wel om haar zo te treiteren, alsmaar die druk opvoeren. Nooit deed je iets goed. Ze schopte tegen de wasmolen die ze eerder die dag nog beladen had met fris gewassen wasgoed. En niet te vergeten de broeken van de kinderen die zoals gewoonlijk weer vol kauwgom hadden gezeten omdat haar jongste vergeten was om het pakje kauwgom "gezond voor je tanden" uit zijn broekzak te halen. Toen de wasmolen niet onder de indruk leek te zijn van Greta's genadeschop duwde Greta hem omver en sloeg met de vliegemepper net zolang op de arme molen in, dat het hulpmiddel der moderne huisvrouw het begaf. Met een luid "pats" knapten de waslijntjes en suisden de lucht in. Hoewel het sterk te betwijfelen viel of het ging om een doelgerichte wraakactie van de wasmolen. Greta werd voluit in haar smoelwerk geraakt door de los springende lijnen. Met de pijn van de zojuist verkregen striemen op haar gezicht, maakte Greta het karwei af en slingerde de droogmolen met een krachtige zwaai over buurmans schutting. Met een overtuigende koers verdween de molen uit het zicht, kort daarna gevolgd door luid gerinkel van glas. Het geluid deed Greta denken aan het glaswerk in de keukenkast, die mooie, op kristal lijkende glazen die haar waren opgedrongen door schoonmoeder die zoals altijd met overtuigende argumenten verkondigde dat het net echt leek. Greta voelde de woede van die momenten weer bij haar op komen, ze stormde de keuken in, trok de kast open en veegde met èèn zwaai het nepkristal de kast uit. Het glas klaterde op de tegelvloer.

Dat luchtte op vond Greta. Eindelijk verlost van dat verdomde glaswerk dat haar vaak ongemakkelijke momenten had opgeleverd als schoonmoeder weer eens quasi per ongeluk het glaswerk controleerde op niet verwijderde vetvlekken

tijdens het afwassen. Greta voelde de adrenaline door haar aderen gieren. Met uitpuilende ogen stormde ze door de keuken en rukte letterlijk de deurtjes van de kastjes op zoek naar nog meer verfoeilijk servies dat haar vervulde met afschuw. Met een ferme zwaai vloog de rode aardbeientheepot van tante Theodora tegen de muur en spatte in duizenden stukjes uiteen. De glazen schaal met de inscriptie "ter gelegenheid van twaalf en een half jaar huwelijk onderging hetzelfde lot, daarna volgde nog de rood glanzende bloemenvaas van ome Cor, de glazen gebaksbordjes van haar zus en het zout en peper stelletje in de vorm van Maria en Jozef, gekregen van de buurman toen ze vol goede moed een intrekfeestje had gegeven voor de buurt.

Buiten begon het te rommelen, de eerste bliksemschichten kondigden zich in de verte al aan. Het felle licht weerkaatste in de vele scherven op de keukenvloer. Greta was altijd bang geweest van onweer en bliksem. Het deed haar denken aan vroeger toen ze een klein meisje was, haar moeder stoof dan als een dolle stier door het huis als de eerste roffels onweer zich aankondigden. Alle ramen en deuren moesten hermetisch afgesloten zijn, de gordijnen dicht. Met z'n allen in de kelder met de deur op slot. Als het gloeipeertje met helder glas op volle sterkte brandde, schalde de eerste weesgegroetjes ter ere van de heilige maagd Maria en sint Jozef door de kelderruimte.

Er waren heel wat zweetpeentjes gelaten in die kelder. Het duurde soms dagen tot moeder het weer aandurfde om de boze buitenwereld weer te begroeten. Greta begon zich een beetje paniekerig te voelen, bang dat de bliksem haar huis zou kunnen treffen. Tegelijkertijd borrelde de woede weer in haar op. Het was genoeg geweest, nooit zou ze zich weer door een donderslag of bliksemschicht de wet laten voorschrijven, dat was voorgoed verleden tijd. Op de ruiten tikte zachtjes kleine regendruppeltjes die de weg vrij maakte voor de onweersbui. Met een luide knal boorde een bliksemschicht zich in Greta's tuin. Zonder zich te bedenken trok Greta de keukenla open greep een mes en vork en stormde door het dolle heen naar buiten de belaagde tuin in, het terrasje overstekend kwam ze bij de vijver, liep er een rondje omheen en stopte bij de nepkikker met spuitmondje.

De hemel kondigde met luid gerommel een nieuwe aanval aan. Greta was er klaar voor, ze zou die verdomde schichten wel eens een lesje leren. Als het moest zou ze ze persoonlijk in stukken snijden. Wederom voerde de waanzin bij Greta de boventoon, niets kon haar nog tot rede brengen. Met het mes in de linker en de vork in de rechterhand geklemd daagde Greta de elementen uit om de strijd met haar aan te gaan. Terwijl de donderslag bij dreigende hemel zich oplaadde om met al zijn haat en nijd moeder aarde te treffen, schreeuwde Greta uit volle borst, "kom maar op lelijke blaaskaak ik lust je rauw". Uit de donkere dreigende hemel verscheen een niet aflatende bliksemschicht die nerveus zijn weg zocht naar beneden, zoekende naar oriëntatiepunten die hij zo hard nodig had om doel te treffen. Het is nog altijd niet duidelijk of Greta haar kansen ten opzichte van de elementen verkeerd had ingeschat. Maar de bliksem en het duo mes en vork sloten in die nacht een alliantie. Oftewel het duo nam op gepaste wijze wraak voor het heengaan van het serviesgoed en de elementen bewezen maar weer eens dat er niet met hen te sollen viel. De bliksemschicht trof de vork vol op zijn tanden die op hun beurt alles door gaven aan het puntje van het mes.


De aanslag op Greta was een voltreffer. Wat er in de laatste minuten door Greta is heen gegaan zal niemand ooit weten.


Het enige wat buurman de volgende morgen aantrof in Greta’s tuin, toen hij verhaal wilde halen voor de in zijn woonkamer geparkeerde wasmolen, was een hoopje stof en as. De kleurmenging van de substantie verraadde enigszins Greta’s aanwezigheid. Buurman herkende in de lichtgroene kleuren de resten van haar haren "dat krijg je als je alleen maar vegetarische bruine bonen eet in plaats van een goed stuk vlees", terwijl de overwegende zwarte kleuren zeker van haar duivelse ziel moesten komen. Een ding stond vast, de buurman zou haar missen. De familie stond naast Greta's stoffelijk overschot te bekvechtten over het feit of Greta de voorkeur zou hebben geven aan een begrafenis of crematie. Een zacht briesje trok de klanken van hun woorden uit elkaar en vervolgde zijn weg naar Greta's hoopje, dat lag te wachten op haar bestemming. De elementen gaven de strijd kennelijk nog niet op, want het briesje zwelde aan tot een ferme windvlaag en voerde het hoopje met enkele ferme vlagen mee over grasvelden, bossen en akkers. Greta daalde waardig en met sier neer op moeder aarde, om deel uit te maken van de voedselketen. De familie stomverbaasd achterlatend. Dus denk de volgende keer wanneer u weer mes en vork ter hande neemt om uw aardappel er van langs te geven en u vervolgens te voeden met de vruchten die moeder aarde geschonken heeft.

Een deel van Greta komt ook u ten deel. 
        


Geen opmerkingen:

Een reactie posten